Huis Cadix

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Versie door SomeHuman (overleg | bijdragen) op 2 feb 2019 om 17:42 (Heeft het beveiligingsniveau gewijzigd voor "Huis Cadix": std ([Hernoemen=Alleen automatisch bevestigde gebruikers toestaan] (vervalt niet)))
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springenNaar zoeken springen
English.gif An historical convent in Mechelen
Voorgevel

<googlemap version="0.9" lat="51.029923" lon="4.481548" zoom="17" width="402" height="300"> (C) 51.029923,4.481548,Huis Cadix </googlemap>

Huis Cadix (Mechelen)

Op het Huis Cadix in de Mechelse Frédéric de Merodestraat vertoont een gevelmakelaar het jaartal 1744. Tegenover het Grootseminarie, huisden er tot 1830 seminaristen. Het werd beter bekend als het klooster van de Zusters van Liefde, welke het in eigendom hadden sinds 1836 tot zij en de Zwartzusters het pand in april 2010 verlieten. De nieuwe eigenaar werd het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk.

Dit neogotisch complex vertoont 18e-eeuwse barokke stijlkenmerken met een overgang van régence naar rococo. Het heeft ook een schitterend trompe-l'oeil van een binnenkoer(bron?) en een gekasseide binnenkoer. Rond een oorspronkelijk bijhorende tweede binnenkoer werden in de 19e eeuw schoolgebouwen opgetrokken.

Geschiedenis[bewerken]

Het Huis Cadix is verbonden met de geschiedenis van de abdij van Roosendael in Sint-Katelijne-Waver vlakbij Walem.

Benedictus van Nursia schreef in de 6e eeuw een minder strenge regel voor monniken dan de tot dan gebruikelijke. Zijn beroemde Regel raakte in de meeste abdijen gevolgd. Van langsom gaven de benedictijnen soberheid in eten en drinken op. Aan het einde van de 11e eeuw namen ze het ook niet zo nauw meer met onthouding en discipline; evenmin toonden zij nog veel belangstelling voor handenarbeid. 
Mede onder invloed van de groeiende kluizenaarsbeweging, voelde de Benedictijnen-abt Robertus van Molesme nood aan herbronning van het kloosterleven. In 1098 vertrok hij met 21 medebroeders naar Cîteaux, een onherbergzame streek ten zuiden van Dijon, om voortaan trouwer en volmaakter te leven volgens de Regel van Sint-Benedictus.

Van hieruit verspreidde de nieuwe Orde van Cîteaux zich over heel Europa. In het Mechelse vestigden de eerste cisterciënzerinnen zich omstreeks 1200 aan de Nete, bij Walem. Zij noemden hun abdij Roosendael. Bij deze stichting speelde de invloedrijke familie Berthout een belangrijke rol. In oude oorkonden is sprake van schenkingen door Gillis Berthout. Twee van zijn dochters waren er koorzusters.

Toen Roosendael gesticht werd, was de hang naar eenvoud bij de cisterciënzers alweer verminderd. Eind 15e en begin 16e eeuw bereikte de abdij een periode van ongekende bloei. Vooral de abdissen Christina Vranckx en Martha Van Baasrode bouwden en verbouwden toen aan het klooster. Of deze welstand ook gepaard ging met een even rijk geestelijk leven, is moeilijker te achterhalen. Uit visitatieverslagen blijkt alleszins dat de nonnen wel eens aangespoord werden om de regel beter na te leven.

Vanaf het midden van de 16e eeuw zorgen de godsdienstoorlogen voor beroering in de Nederlanden. Tussen 1566 en 1580 werd Roosendael achtereenvolgens geplunderd door de beeldenstormers, door Spaanse soldaten (Spaanse Furie) en door Staatse troepen onder een Engelse kapitein (Engelse Furie). Deze laatsten haalden de gebouwen leeg en lieten ze ontmantelen.

De zusters hadden intussen een toevlucht gezocht in hun refuge binnen de muren van Mechelen, aan de Bleekstraat. Toen de stad een calvinistisch bewind kreeg (1580), sloegen ze op de vlucht. Na een zwerftocht door Nederland en Duitsland belandden ze in 1585 opnieuw in hun refuge. Om het eigendomsrecht op de abdij niet te verliezen door te lange afwezigheid, woonden er tijdens de 80 jaar van leegstand (1580-1660) sporadisch nog enkele werkzusters en knechten. Waarschijnlijk diende het 16e-eeuwse Pesthuis op het domein Roosendael toen als woning voor de zusters en werd daar in die periode het torentje aan toegevoegd, als statussymbool.

Vanuit de refuge in Mechelen organiseerden de zusters de heropbouw van hun abdij. Pas op 25 juni 1660 namen ze met veel vertoon en onder ruime belangstelling hun intrek in de nieuwe gebouwen, opgetrokken in een flamboyante barokstijl. De kloostergemeenschap bestond op dat ogenblik uit 31 koorzusters en 17 lekenzusters onder de leiding van abdis Joanna Van Laethem. Abdis Maria van Eywerven werkte het bouwprogramma verder af. In 1673 was de basisstructuur van de nieuwe abdij zo goed als voltooid.

De 18e eeuw was het hoogtepunt van macht en rijkdom voor het adellijke vrouwenklooster. Abdis Ludwina Van der Nath liet een mooi koetshuis en stallingen optrekken voor de paarden en de rijtuigen van de gasten. Abdis Agnes Haegens gaf in 1777 opdracht om haar 25-jarig jubileum te bekronen met de bouw van de huidige toegangspoort, met bovenaan haar wapenschild en haar devies: Custodit sepes et arcet portâ munit ut plus servet (De haag/omheining beschermt en de poort bewaakt om beter te bewaren; in de betekenis van 'haag' verwijst het woord 'sepes' naar haar familienaam, als 'omheining' naar het bouwwerk). Dezelfde abdis nam in 1781 een nieuw koetshuis in gebruik, bij de noordelijke gracht. Een arduinen sokkel met stenen kruis werd een religieus rustpunt in de hof. Bovendien bestelde ze een achttal schilderijen voor de kerk en de refter. De kloostergemeenschap bezat rond 1790 meer dan 1.000 ha gronden en verpachtte alleen al in Sint-Katelijne-Waver een tiental boerderijen. De Oostenrijkse keizer Jozef II, de Keizer-Koster, schafte in 1781 een groot aantal 'nutteloze' kloosters af. Het invloedrijke Roosendael wist toen nog de dans te ontspringen.

De Franse overheersing die daarop volgde, luidde echter het definitieve einde in van de abdij aan de Nete. De gebouwen werden in beslag genomen en de religieuzen verdreven in 1797. Dat gebeurde niet zonder tegenstand. De zusters gebruikten alle mogelijke listen om toch maar te kunnen blijven. Zo lieten ze een geneesheer verklaren dat een van hen dodelijk ziek was en niet vervoerd kon worden. Uiteindelijk moesten ze toch het onderspit delven en verhuisden de ongeveer 50 nonnen en werkzusters naar Mechelen. In 1798 kocht een Antwerpse opkoper van kerkelijke goederen die door de Fransen waren verbeurdverklaard, Roosendael. Deze Pierre De Meulenaer liet de gebouwen grotendeels slopen om ze ten gelde te maken als bouwmateriaal. Alleen het monumentale poortgebouw, het Pesthuis, het koetshuis, een deel van de ommuring, een deel van het abdissenkwartier, enkele bruggetjes, de ringgracht, waterputten en kleine artefacten bleven bewaard en herinneren nog steeds aan de abdij. 
 De steeds kleiner wordende kloostergemeenschap die aanvankelijk een onderkomen had gevonden in de Koeistraat (de huidige Frederik de Merodestraat), veranderde nog diverse keren van adres, maar verdween uiteindelijk in 1845. Agatha Verscharen was de laatste zuster geweest; zij overleed in 1851.

Doch in 1806 had een andere zuster, Maria-Theresia Vermeulen, voor zusters die zich wilden toeleggen op het onderwijs aan meisjes een nieuwe kloosterorde opgericht, die in 1810 goedgekeurd werd onder de naam Zusters van Liefde. Sinds 1836 gevestigd in het Huis Cadix aan de Frederik de Merodestraat, fuseerden ze na het Tweede Vaticaans Concilie met hun ordegenoten uit Overijse, welke hen vervoegden.

Contact[bewerken]

  • Opengestelde delen: benedenverdieping
  • Openingsuren: 10.00 - 18.00 uur.
  • Adres: Frédéric de Merodestraat 41, 2800 Mechelen

Galerij[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Voetnoten[bewerken]