Rembert Dodoens

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Ga naar:navigatie, zoeken
English.gif Botanicus from Mechelen
<dic class="center">Rembert Dodoens

Rembert Dodoens (ook gekend onder zijn Latijnse naam Rembertus Dodonaeus) werd geboren te Mechelen op 29 juni 1517 en overleed in het Nederlandse Leiden op 10 maart 1585. Rembert Dodoens was een plantkundige en arts.

Rembert Dodoens was de zoon van een Leeuwardse geneesheer, die op 13-jarige leeftijd ( ! ) werd hij ingeschreven aan de Leuvense universiteit, waar hij geneeskunde, maar ook wiskunde, klassieke talen en plantkunde studeerde.

Op 16 jaar wordt zijn eerste Herbarium gedrukt, waarin, naast een beschrijving van de kruiden, ook een hoofdstuk over een aantal ziekten was opgenomen.

In 1535 verlaat Rembert als Licenciaat in de Geneeskunde Leuven. De jonge geleerde trekt op reis door Italië, Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. In Parijs ontmoet hij de lijfarts van Frans I, maar ook die andere bekende Vlaamse arts : Andreas Vesalius.

In 1546 keert hij terug naar zijn Mechelen, waar hij zich vestigt in de Lange Schipstraat. Spoedig wordt hij stadsdokter - tot in 1574. Als stadsgeneesheer moest hij niet alleen de behoeftigen gratis verzorgen, maar ook de nodige maatregelen treffen in geval van besmettelijke ziekten zoals lepra.

In 1548 schreef hij "Cosmographica", een wetenschappelijk werk, waarin Dodoens de werelddelen, de hemellichamen en de bewegingen ervan beschrijft.

In 1554 verscheen dan het vermaarde Cruydeboeck, dat tal van herdrukken en vertalingen kende. Dit werk verscheen (zelfs) niet in het Latijn, maar in het Nederlands.

Het Cruydeboeck

In 1554 verscheen, in het Nederlands, zijn Cruydeboeck met 715 afbeeldingen, waarin hij de planten in zes groepen verdeelt. De Geneeskruiden worden er (als derde groep) uitvoerig in beschreven, waardoor het werk lange tijd als een Farmacopee is beschouwd.

Zijn Cruydeboeck was HET referentiewerk en werd herhaaldelijk opnieuw uitgegeven, in steeds uitgebreider vorm, het laatst in 1644, honderd jaar na de eerste versie.

Een Latijnse bewerking verscheen in 1583, een Franse vertaling door Carolus Clusius reeds in 1557.

Tweehonderd jaar lang was dit het meest gebruikte handboek in West-Europa. Na de bijbel was het, op dat moment, het meest vertaalde boek (postuum zelfs in het Japans).

Rembert Dodoens had het boek bewust in het Vlaams geschreven en niet in het Latijn. Hij wou het toegankelijk maken voor het volk. Daarmee leverde hij ook een belangrijke bijdrage aan de verspreiding van de Volkstaal.

Gruit in het bier

Hildegard van Bingen gaf aan kruiden een magische betekenis. Zo schreef ze dat lavendel en/of varens geschikt waren als amulet tegen demonen en tovenaars.

De Duivelse faam van de hop en het gevaar voor een beperking van het nageslacht door het gebruik van dit kruid in bier, zullen alleszins als gevolg gehad hebben dat men dit recept liever geheim hield. We moeten er ten andere van uit gaan dat de recepten van de gruit of gruut, zoals men de kruidenbasis voor bier was gaan noemen, geheim werden gehouden.

Alhoewel gruit over gans Noordelijk Europa gebruikt werd, was de samenstelling hiervan enkel bekend door een aantal religieuze orden. Men stelt dat het waarschijnlijk zo is dat monniken experimenteerden met kruiden bij het brouwen van hun bier en per toeval de hoedanigheden van Hop vonden.

Eén van de eerste vermeldingen van gruit in de Lage Landen, dateert uit 974 toen Otto II het gruitrecht van Fosses aan de Kerk van Luik schonk. De gruit werd hier Materam Cervoisiell genoemd.

Op 11 april 999, gaf Keizer Otto III aan de Sint-Martinuskerk van Utrecht allerlei rechten in het Domein Zaltbommel, waaronder het Recht van de Gruit.

Op de Gruit werd er dus een accijns geheven. Het hoofdbestanddeel van gruit was meestal gagel.

Over gagel schreef Rembert Dodoens - in 1554 - onder andere het volgende :

"…het saedt van Gagel is seer warm ende droogh van aerdt tot scier in den derden graed. De bladeren zijn ook warm ende droogh maer veel minder dan het saedt. De vrucht selve met eenighen drank inghenomen is hoofdigh ende de hersenen schadelijck. Daerom als die in het vier ghesoden - gekookt - oft daermede ghebrouwen wordt, 't welck op verscheiden plaetsen geschiet, dan is die dranck den hoofde seer lastigh, in voegen dat hij het hooft seer ontstelt, ende den mensche seer haest droncken maeckt…"

Andere boeken

Dodoens schreef verder enige werken over Kosmografie en Geneeskunde (in het Latijn), onder meer :

  • "Den Nieuwen Herbarius" - 1543
  • "Cosmographica in astronomiam et geographiam isagoge" - 1548
  • "De frugum historia" - 1552
  • "Trium priorum de stirpium historia commentariorum imagines" - 1553
  • "Posteriorum trium de stirpium historia commentariorum imagines" - 1554
  • "Cruydeboeck" - 1554 (Dit was het tweede boek gedrukt door Plantijn)
  • "Physiologices medicinae tabulae" - 1580
  • "Medicinalium observationum exempla rara" - 1581
  • "Stirpium historiae pemptades sex" - 1583
  • "Praxis medica" - 1616 (postuum verschenen)
  • "Ars Medica, ofte Gheneeskunst" -1624 (postuum verschenen)

Verdere leven en dood

Rembert Dodoens was nu écht beroemd - en fortuinlijk - zodat hij een grote woning in de Augustijnenstraat kon bouwen. Maar, zoals eerder reeds aangegeven, verliet hij in 1574 Mechelen, om in Wenen lijfarts te worden van de Habsburgerse Keizer.

In 1578 kwam aan deze eervolle functie een einde.

Rembertus trok naar Keulen, waar hij een tweetal jaren verbleef, om nadien verder te reizen over Mechelen en Antwerpen, naar het Nederlandse Leiden, waar hij hoogleraar werd.

Daar sterft hij op 10 maart 1585. In de Leidse Sint-Pieterskerk wordt in het grafschrift zijn Mechelse herkomst duidelijk aangegeven.

Standbeeld

Zijn standbeeld (gemaakt door Joseph Tuerlinckx - die ook Margareta Van Oostenrijk heeft gebeeldhouwd) staat in de Kruidtuin.

Friesland

Remberts voorouders, langs vaders kant, kwamen uit Friesland en droegen de achternaam Joenkens of Van Joenckema (de uitgang -ma betekent : Uit het Geslacht van).

Deze familie was een voorname Friese Sibbe, afkomstig uit het stadje Stavoren aan de toenmalige Zuiderzee.

De familie bekleedde, generaties achtereen, voorname ambten in de Friese steden en gouwen.

De grootvader van Rembert, Rembert Jaricks Joenckema, was jarenlang Vroedsman (Senator) van Leeuwarden en zijn overgrootvader, Jarick Joenckema, was Olderman (Burgemeester) van deze stad (1483).

Externe Links

Galerij