Rembert Dodoens

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Ga naar:navigatie, zoeken
English.gif Botanist from Mechelen
Rembert Dodoens

Rembert Dodoens (ook gekend onder zijn gelatiniseerde naam Rembertus Dodonaeus), geboren te Mechelen op 29 juni 1517 en overleden in het Nederlandse Leiden op 10 maart 1585, was een plantkundige en arts.

Biografie

Remberts voorouders aan vaders kant waren Friezen met familienaam Joenkens of Van Joenckema. Het suffix -ma betekent 'uit het geslacht van'; het betrof een voorname sibbe, afkomstig uit het stadje Stavoren aan de toenmalige Zuiderzee. Achtereenvolgende generaties bekleedden voorname ambten in Friese steden en gouwen. Remberts overgrootvader, Jarick Joenckema, was olderman (burgemeester, 1483) van Leeuwarden en de grootvader, Rembert Jaricks Joenckema, was er jarenlang vroedsman (senator) en huwde met Rixtia Doedes Siercksma, dus dochter van Doede of Dodo, een oudgermaanse voornaam. Hun zoon heette Denijs Joenckema of Denijs Dodoen. Deze geneesheer verhuisde naar Mechelen en werd er als Denijs van Leeuwarden een gezien inwoner en van 1516 tot 1531 beëdigd geneesheer van de stad; hij verzorgde onder anderen Margaretha van Oostenrijk. Hij woonde op het Sint-Romboutskerkhof en vermoedelijk is zijn zoon Rembert daar geboren, als een natuurlijk kind van Urssula Roelandts vermits die pas daarna de tweede echtgenote werd van Denijs. Ze woonden dan in de Bruul vlakbij het Lekkernijstraatje en Rembert koos zich als familienaam het patroniem Dodoens.[1]

Rembert werd op 13-jarige leeftijd ( ‍! ‍) ingeschreven aan de Leuvense universiteit, waar hij naast geneeskunde ook wiskunde, klassieke talen en plantkunde studeerde.

Herbarium werd op zijn 16e gedrukt: zijn eerste beschrijving van de kruiden, waarbij ook een hoofdstuk over een aantal ziekten was opgenomen.

In 1535 verliet Dodoens Leuven als licenciaat in de Geneeskunde. De jonge geleerde trok op reis door Italië, Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. In Parijs ontmoette hij de lijfarts van koning Frans I alsook die andere nadien beroemd geworden Vlaamse arts: Andreas Vesalius.

In 1546 keerde hij terug naar zijn Mechelen, waar hij zich vestigde in de Lange Schipstraat. Spoedig werd hij een van de toen drie stadsgeneesheren (tot in 1574), in welke functie hij niet alleen de behoeftigen gratis moest verzorgen, maar ook de nodige maatregelen treffen in geval van besmettelijke ziekten zoals lepra.

In 1548 schreef hij zijn Cosmographica, een wetenschappelijk werk waarin hij de werelddelen, de hemellichamen en de bewegingen hiervan beschrijft.

In 1552 werd De frugum historia gepubliceerd, zijn korte verhandeling over granen, groenten en voedergewassen.

Zijn Cruydeboeck uit 1554 maakte Dodoens écht beroemd — en gefortuneerd, zodat hij een grote woning in de Augustijnenstraat kon bouwen.

In 1574 verliet hij zijn geboortestad om te Wenen lijfarts te worden van de Habsburgerse keizer; in 1578 kwam aan deze eervolle functie een einde. Hij trok naar Keulen, waar hij een tweetal jaren verbleef, om nadien verder te reizen over Mechelen en Antwerpen, naar het Nederlandse Leiden, waar hij hoogleraar werd. Zijn grafschrift in de Leidse Sint-Pieterskerk geeft duidelijk zijn Mechelse herkomst aan.

Cruydeboeck

Afgeleid van De Historia Stirpium commentarii insignes van Leonhart Fuchs met een 500-tal planten en 511 afbeeldingen, verscheen in 1554 Dodoens' Cruydeboeck met 715 afbeeldingen, waarin hij evenwel de alfabetische reeks van Fuchs verving door een indeling in zes groepen planten, volgens hun eigenschappen en onderlinge verwantschappen. De geneeskrachtige kruiden werden er (als derde groep) uitvoerig in beschreven, waardoor het werk lange tijd als een farmacopee is benut. Als het referentiewerk bij uitstek werd het herhaaldelijk opnieuw uitgegeven, tot honderd jaar na de eerste versie in steeds uitgebreidere vorm.

Dodoens had bewust voor het Nederlands gekozen en niet als toen gangbaar het Latijn: Hij wou de inhoud toegankelijk maken voor het volk. Daarmee leverde hij ook een belangrijke bijdrage aan de verspreiding van de volkstaal. Dit was pas het tweede door Christoffel Plantijn gedrukte boek. Er verscheen reeds in 1557 een Franse vertaling Histoire des Plantes door Carolus Clusius en daaruit door Henry Lyte ‍(en) vertaald naar het Engels in 1578 A new herbal, or historie of plants, gedrukt te Antwerpen met de originele afbeeldingen. Zijn Latijnse versie bracht Dodoens pas in 1583 uit, met extra families en fijnere indeling in 26 groepen; ze bevatte meer zowel originele als geleende illustraties. John Gerard ‍(en) benutte haar in 1597 (controversieel) als bron voor zijn Herball, or Generall Historie of Plantes.

Tweehonderd jaar lang was Dodoens' werk het meest gebruikte handboek in West-Europa. In die periode was het na de bijbel het meest vertaalde boek, tot in het Japans toe.

Anekdote: Gruit in het bier

De over gans noordelijk Europa gebruikte kruidenbasis voor bier noemde men in de Lage Landen gruit of gruut. Eén van de eerste vermeldingen dateert uit 974, toen keizer Otto II het gruitrecht van Fosses aan de Kerk van Luik schonk. De gruit werd daar Materam Cervoisiell genoemd. Op 11 april 999 gaf keizer Otto III aan de Sint-Martinuskerk van Utrecht allerlei rechten in het domein Zaltbommel, waaronder het 'recht van de gruit'. Op de gruit werd dus vanouds een accijns geheven. In de middeleeuwen was het hoofdbestanddeel meestal gagel; hierover schreef Dodoens in 1554 onder andere het volgende:

"…het saedt van Gagel is seer warm ende droogh van aerdt tot scier in den derden graed. De bladeren zijn ook warm ende droogh maer veel minder dan het saedt. De vrucht selve met eenighen drank inghenomen is hoofdigh ende de hersenen schadelijck. Daerom als die in het vier ghesoden (gekookt) oft daermede ghebrouwen wordt, 't welck op verscheiden plaetsen geschiet, dan is die dranck den hoofde seer lastigh, in voegen dat hij het hooft seer ontstelt, ende den mensche seer haest droncken maeckt…"

Allicht vonden experimenterende monniken van brouwende religieuze orden de hoedanigheden van hop bij toeval; dit bittere kruid kon ook als conserveermiddel de gagel vervangen. Aan kruiden was echter veelal een magische betekenis toegedacht. De duivelse faam van de hop en vrees voor een beperking van het nageslacht door het gebruik ervan, zullen alleszins als gevolg gehad hebben dat de samenstelling van de gruit liever geheim gehouden werd.

Bibliografie

Voornaamste werken, de meeste in het Latijn:

  • Herbarium (1533)
  • Den Nieuwen Herbarius (1543)
  • Cosmographica in astronomiam et geographiam isagoge (1548)
  • De frugum historia (1552)
  • Trium priorum de stirpium historia commentariorum imagines (1553)
  • Posteriorum trium de stirpium historia commentariorum imagines (1554)
  • Cruydeboeck (1554)
  • Physiologices medicinae tabulae (1580)
  • Medicinalium observationum exempla rara (1581)
  • Stirpium historiae pemptades sex (1583) — de Latijnse versie van het Cruydeboeck
  • Praxis medica (1616, postuum verschenen)
  • Ars medica, ofte ghenees-kunst (1624, postuum verschenen)

Varia

  • Carolus Linnaeus noemde uit de familie van de Sapindaceae het uitgebreidste genus naar Rembertus Dodonaeus: Dodonaea ‍(en), bloemende struiken en boompjes die in het Engels gekend zijn als hop-bushes — doch niet verwant zijn aan de bij brouwers gekende hop (Humulus lupulus) uit de hennepfamilie (Cannabaceae).
  • In de Kruidtuin staat het marmeren standbeeld van Dodoens, gemaakt door Joseph Tuerlinckx — die ook dat van Margareta Van Oostenrijk heeft gebeeldhouwd.

Galerij

Filmlinks

Rembert Dodoens and his Cruydtboeck


Externe links

Bronnen

  1. Van der Hoeden, R. Rembert Dodoens: iets over zijn leven en werk. Plantaardigheden. Nagezien 2019-12-30.

Voetnoten