Olivetengodshuis

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Ga naar:navigatie, zoeken
English.gif Former home for elderly men in Mechelen
De appartementenblok

Het 15e-eeuwse Olivetengodshuis tussen de Kattenberg, Olivetenstraat en Olivetenvest te Mechelen werd in 1958 gesloopt. Kort daarop verscheen een met 8 verdiepingen naar Mechelse normen hoog appartementsgebouw, welk er nog steeds het zicht uitmaakt.

Dat godshuis was een instelling tot onderhoud van uitsluitend mannen, oorspronkelijk als ze door ongeluk in armoede waren geraakt. Deze oude pekes hadden de volksnamen 't ‍'Pekeshuis'‍ en de ‍'Pekesvest'‍ veroorzaakt en tot in de 21e eeuw herinneren de hoogbejaarde Mechelaars zich nog de jaarlijkse ‍'Pekeskermis'‍ op de Olivetenvest, welke haar ware naam sinds 1851 ontleent van het godshuis zodat ook de naamkeuze van het Olivetenhof erdoor beïnvloed werd.[N 1]

Geschiedenis[bewerken]

Het Olivetengodshuis in de driehoek tussen Winket- en Adegempoorten.
In voorgrond: het Bethaniënklooster

Het Olivetengodshuis werd in 1481 gesticht door het kinderloos echtpaar Godfried [van] Vil[l]ain,[N 2] heer van Huise, Burcht, Zwijndrecht, Zemst en Pamele, en de uit een rijk geslacht stammende Elisabeth van Immerseele.[N 3] De edelman stierf enige maanden later en werd begraven in het Begijnhof. De oorspronkelijke benaming als de berg van Oliveten herinnerde aan de Hof van Oliveten op de Olijfberg en de doodstrijd van Jezus.

In het begin had het godshuis maar 12 inwonende mannen, die wekelijks wat zakgeld, wat brood en (dagelijks) een pint bier ontvingen; andere onkosten bleven ten laste van het huis. Ze moesten wel van onbesproken gedrag zijn. Er werd zelfs nagegaan of zij in staat waren de paternoster en het Ave Maria te bidden, zowel in het Latijn als in het Vlaams. Ze moesten om de zes weken biechten en vijf maal per jaar ter communie gaan. Deelname aan een feest of herbergbezoek was verboden. De straffen waren gegradeerd van verlies van onderstand voor één week tot definitieve wegzending. Men mocht nog een ambacht uitoefenen, zonder evenwel de dagelijkse mis en dito gebed te missen. Een kinderloze diende al zijn bezittingen aan het godshuis te laten; had hij kinderen, dan kreeg de instelling het deel van een zoon.

Sinds 1588 werd het Godshuis bestuurd door drie proviseurs: de pastoor van 't Groot Begijnhof, de rector van het Bethaniënklooster aan de overzijde van de stadswal en -gracht en een lid van het Magistraat. De kapel zou rond 1500 gebouwd zijn en was toegewijd aan Sint-Antonius, wiens feestdag op 17 januari gevierd wordt.

Naast haar eigen gebouw kocht de stichting Oliveten rond 1645 het er onmiddellijk aanpalende refugium van de Sint-Hubertusabdij. Op de kapel werd in 1650 een toren geplaatst. In 1628 werden er banken en een preekstoel geplaatst en in 1598 werd een nieuw altaar gewijd. Vanaf 1627 werd er een priester aangesteld voor de goddelijke diensten. Ook hij had zijn verblijf in het huis.

Arme claren[bewerken]

Godfrieds vrouw Elisabeth, wier familie Van Immerseele reeds in de 13e eeuw het Hof van Meysse bezat, stichtte ook het Mechelse arme clarenklooster in hun woning op de Melaan in Mechelen, nadat zij daar eerst een godshuis voor oude vrouwen had willen stichten, als pendant van het uitsluitend voor mannen bestemde Oliveten. Zie geschiedenis der clarissen in het artikel over de Arme Clarenstraat, welke er haar naam aan dankt.

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. In de 15e eeuw was het zuidwesten van Zemst bestuurlijk begrepen in het kwartier Grimbergen. Het centrum van Zemst met tal van omstreken, ook te Weerde en Eppegem, viel onder de heerlijkheid van achtereenvolgens Van Asse - Antoing (Van Anthonie, d'Antoing) - Van Edingen (d'Enghien) - Van Heyenbeke - Raes - Vilain - Godshuis van Oliveten, en werd in de 16e eeuw het territoir van Oliveten genoemd. Bij het einde van die eeuw bezat het godshuis van Oliveten te Zemst, Weerde, Eppegem en daer omtrent de lage rechtsmacht, uitgeoefend door een schepenbank met meier, schepenen en 18 leenmannen. De in het Diets opgestelde Memorie van gerechtichheyt die het Goidtshuys van Oliveten is hebbende binnen Sempst is als bijlage te lezen in de bron Alcide, Marc.
  2. Nazaten van de in 1316 op het kasteel van Rupelmonde door Mechelaars vermoorde Jan, heer van St.-Jans-Steen, en deze heer zelf, werden als Vilain, Villain, van Vilain of van Villain vernoemd; ook Vylain komt voor. Eerdere vrijheren van Sint Jansteen (huidige spelling van de in 1970 bij Hulst ingelijfde gemeente) waren 'van Gent' geheten en bijgenaamd 'Vilain' (volgens, en op 2013-09-11 aldus gespeld op, Wikipedia). De eerste Heer van Sint-Jans-Steen, Hugo (Hugues) Vilain van Gent (ca. 1194 - 1232), was een kleinzoon van tempelier Siger (Zeger) II van Viggezele, heer van Bornem en burggraaf van Gent (ca. 1138 - 1201) (met o.m. een dochter Jeanne Vilain van Gent), een afstammeling van graaf van Vlaanderen Robrecht I de Fries. Een inwoner van Ville-sur-Ancre, departement Somme, Frankrijk, is un villain; een schurk is in het Frans un vilain; het Latijnse villani kon evenwel slaan op lijfeigenen of boeren in feodale dienst.
  3. Honderd jaar eerder had het geslacht van Immerseele dankzij financiële activiteiten aanspraak op de totaliteit der inkomsten uit het Land van Mechelen. Onder meer Walem en Duffel omvattend, was dit deel van het hertogdom Brabant geheel buiten de heerlijkheid Mechelen gelegen.