Huis Cadix
Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Translation : History about an ancient refugee house in Mechelen
Inhoud |
Beschrijving
Dit herenhuis of hotel in de Frédéric de Merodestraat in Mechelen is beter bekend als Klooster van de zusters van Liefde. Dit pand was eigendom van de Zusters van Overijse-Mechelen.
Huis Cadix heeft ook een schitterend Trompe-l'oeuil van een binnenkoer, maar niet zoveel groen. De binnenkoer is opgetrokken in een overgangsstijl régence-rococo.
Geschiedenis
Het Huis Cadix is verbonden met de Geschiedenis van Abdij Roosendael in Walem.
Benedictus van Nursia schreef in de 6de eeuw zijn beroemde Regel der Monniken. Die regel zou in de meeste abdijen worden gevolgd. Aan het einde van de 11de eeuw namen de Benedictijnen het echter niet zo nauw meer met onthouding en discipline. Evenmin toonden zij nog veel belangstelling voor handenarbeid. Soberheid in eten en drinken waren lang geen regel meer. Mede onder invloed van de groeiende kluizenaarsbeweging, voelde de Benedictijnen-abt Robertus van Molesme nood aan herbronning van het kloosterleven. In 1098 vertrok hij met 21 medebroeders naar Cîteaux, een onherbergzame streek ten zuiden van Dijon, om voortaan trouwer en volmaakter te leven volgens de regel van Sint-Benedictus.
Van hieruit verspreidde de nieuwe Orde van Cîteaux zich over heel Europa. In het Mechelse vestigden de eerste Cisterciënzerinnen zich omstreeks 1200 aan de Nete, bij Walem. Zij noemden hun abdij Roosendael. Bij deze stichting speelde de invloedrijke familie Berthout een belangrijke rol. In oude oorkonden is sprake van schenkingen door Gillis Berthout. Twee van zijn dochters waren koorzusters in Roosendael.
Toen Roosendael gesticht werd, was de hang naar eenvoud bij de Cisterciënzers alweer verminderd. Eind 15de en begin 16de eeuw bereikte de abdij een periode van ongekende bloei. Vooral de abdissen Christina Vranckx en Martha Van Baasrode bouwden en verbouwden toen aan het klooster. Of deze welstand ook gepaard ging met een even rijk geestelijk leven, is moeilijker te achterhalen. Uit visitatieverslagen blijkt alleszins dat de nonnen wel eens aangespoord werden om de regel beter na te leven.
Vanaf het midden van de 16de eeuw zorgen de Godsdienstoorlogen voor beroering in de Nederlanden. Tussen 1566 en 1580 werd Roosendael achtereenvolgens geplunderd door de beeldenstormers, door Spaanse soldaten en door Staatse troepen. Deze laatsten haalden de gebouwen leeg en lieten ze ontmantelen.
De zusters hadden intussen een toevlucht gezocht in hun Refuge aan de Bleekstraat, binnen de muren van Mechelen. Toen deze stad een Calvinistisch bewind kreeg (1580) sloegen ze op de vlucht. Na een zwerftocht door Nederland en Duitsland belandden ze in 1585 opnieuw in hun Refuge. Tijdens de 80 jaar van leegstand (1580-1660) woonden sporadisch nog enkele werkzusters en knechten op Roosendael. Dat was nodig om het eigendomsrecht niet te verliezen door te lange afwezigheid. Waarschijnlijk diende het 16de-eeuwse Pesthuis toen als woning voor de zusters en werd daar in die periode het torentje aan toegevoegd - als statussymbool.
Vanuit de Refuge in Mechelen organiseerden de zusters de heropbouw van hun abdij Roosendael. Pas op 25 juni 1660 namen ze met veel vertoon en onder ruime belangstelling hun intrek in de nieuwe gebouwen, opgetrokken in een flamboyante barokstijl. De kloostergemeenschap bestond op dat ogenblik uit 31 koorzusters en 17 leken-zusters onder de leiding van abdis Joanna Van Laethem. Abdis Maria van Eywerven werkte het bouwprogramma verder af. In 1673 was de basisstructuur van de nieuwe abdij zo goed als voltooid.
De 18de eeuw was het hoogtepunt van macht en rijkdom voor het adellijke vrouwenklooster. Abdis Ludwina Van der Nath liet een mooi koetshuis en stallingen optrekken voor de paarden en de rijtuigen van de gasten. Abdis Agnes Haegens gaf in 1777 opdracht om haar 25-jarig jubileum te bekronen met de bouw van de huidige toegangspoort, met bovenaan haar wapenschild en haar devies : Custodit sepes et arcet portâ munit ut plus servet (De haag/omheining beschermt en de poort bewaakt om beter te bewaren). In de betekenis van Haag verwijst het woord Sepes naar haar familienaam, als Omheining naar het bouwwerk. Dezelfde abdis nam in 1781 een nieuw koetshuis in gebruik, bij de noordelijke gracht. Een arduinen sokkel met stenen kruis werd een religieus rustpunt in de hof. Bovendien bestelde ze een achttal schilderijen voor de kerk en de refter. De kloostergemeenschap bezat rond 1790 meer dan 1000 ha gronden en verpachtte in Sint-Katelijne-Waver alleen al een tiental boerderijen. De Oostenrijkse keizer Jozef II, de Keizer-Koster, schafte in 1781 een groot aantal 'nutteloze' kloosters af. Het invloedrijke Roosendael wist toen nog de dans te ontspringen.
De Franse overheersing die daarop volgde, luidde echter het definitieve einde in van de abdij aan de Nete. De gebouwen werden in beslag genomen en de religieuzen verdreven (1797). Dat gebeurde niet zonder tegenstand. De zusters gebruikten alle mogelijke listen om toch maar te kunnen blijven. Zo lieten ze een geneesheer verklaren dat een van hen dodelijk ziek was en niet vervoerd kon worden. Uiteindelijk moesten ze toch het onderspit delven en verhuisden de ongeveer 50 nonnen en werkzusters naar Mechelen. De steeds kleiner wordende kloostergemeenschap vond aanvankelijk een onderkomen in de Koeistraat (de huidige Frederik de Merodestraat). Daarna veranderde ze nog diverse keren van adres, maar uiteindelijk zou ze in 1845 verdwijnen. De laatste zuster, Agatha Verscharen, overleed in 1851. In 1806 had een andere zuster, Maria-Theresia Vermeulen, echter een nieuwe Klooster-orde opgericht voor zusters die zich wilden toeleggen op het onderwijs aan meisjes. Deze orde was in 1810 goedgekeurd onder de naam Zusters van Liefde. Na het Tweede Vaticaans Concilie fuseerden de Mechelse Zusters van Liefde met hun ordegenoten uit Overijse. Sindsdien zijn zij nog steeds gevestigd in het Huis Cadix aan de Frederik de Merodestraat, tegenover het Grootseminarie.
In 1798 werd Roosendael verkocht aan Pierre de Meulenaer, een Antwerpse opkoper van kerkelijke goederen die door de Fransen waren verbeurdverklaard. De Meulenaer liet de gebouwen grotendeels slopen om ze ten gelde te maken als bouwmateriaal. Alleen het monumentale Poortgebouw, het Pesthuis, het Koetshuis, een deel van de ommuring, een deel van het abdissenkwartier, enkele bruggetjes, de ringgracht, waterputten en kleine artefacten bleven bewaard en herinneren nog steeds aan de abdij.
Verkoop
In april 2010 verlieten de Zusters van Liefde en de Zwartzusters het pand in de Frédéric de Merodestraat in Mechelen, waar zij eeuwenlang aanwezig waren geweest. De nieuwe eigenaar werd het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk.
Adres/Contact
Huis Cadix - Frédéric de Merodestraat 41 - 2800 Mechelen - Opengestelde delen : Benedenverdieping - Openingsuren : 10h00-18h00