Gilden en ambachten

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Ga naar:navigatie, zoeken
English.gif Historical armed guilds and artisan & trade organisations in Mechelen
Register van de Mechelse schuttersgilde van de Oude Voetboog
Stadhuis, n.a.v. een folkloristisch 'gildenjuweel' in september 2009

Zowel een gilde als een ambacht was een statutaire groepering van en voor beoefenaars van een bepaald beroep. De onderscheiden gewapende verdedigers en ordehandhavers vormden gilden, de handelaars en handwerklieden hadden per vak een ambacht (soms ook wel 'gilde' genoemd).

Gilden[bewerken]

De term gilde is afkomstig van guld, synoniem van goud en historish en etymologisch verwant aan geld dat door ledenbijdragen hun gezamenlijke kas spijsde.

Gildes in Mechelen:
Oude Voetboog – Jonge Voetboog – Handboog – KolveniersSchermersgilde. De eerste vier noemt men schuttersgilden.

Ambachten[bewerken]

Een ambacht was een groepering van beoefenaars van een bepaald handenarbeidersvak, dat ook een ambacht genoemd wordt. Na een gedegen opleiding kon een 'leerling' erkend worden als vakman met de titel 'gezel' en uiteindelijk de titel 'meester' verkrijgen. Kennis en ervaring werden uitgewisseld. Gezien vaklui hun producten veelal zelf verhandelden, kregen ook enige groepen aan- en verkopende handelaars een statuut als ambacht. Het ambacht behartigde de belangen van de leden, en beschermde hen. Vaak goldt het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk. Dit monopolie diende evenwel ook corporatistisch eigenbelang.

Ambachten in Mechelen:

  • Hoofdambachten:
bakkers – brouwers – huidevetters (leerlooiers) – visverkopers – vleeshouwers (slagers) [1][2]
  • Grote ambachten:
droogscheerders (lakenscheerders) – houtwerkers(bron?) – kramers – lakenmakers ofte wolwevers [3] – metselaars, glazenmakers & steenhouwers – schippers – schoenmakers – smeden, koperslagers & messenmakers – timmerlieden – tin- en loodgieters – vettewariërs (handelaars in vet- en kruidenierswaren in het algemeen)[1][2]
Na de wevers, was het meestbevolkte ambacht dat van de smeden, met intern 11 naties (geledingen): grofsmeden of -werkers & hoefsmeden, slotenmakers, busmakers (wapensmeden), witwerkers (snijgereedschapsmakers), spoor- of toommakers, kammakers, maaldeniers (kleinoodsmeden, bliksmeden en/of -slagers), koperslagers, geelgieters, kaardemakers.[N 1] Bijvoorbeeld alle 'wapenmakers, keteleers, gheelgieters, clocgieters, coeperen potgieters, bussengieters ende oock mede maeldeniers ende oock cardemakers' hoorden vanaf 1543 bij de smeden. Het was op de wolbewerkers na het oudste ambacht, als Broederschap van Sint-Elooi in een keure uit 1254 en vanaf 1305 met het statuut van ambacht erkend.[1][2][4]
Mechelen - Stroklopster aan de Dijle (pentekening Frans Magriet)
  • Andere eigenlijke ambachten:
barbiers & chirurgijns (wondenhelers) - blauwververs (textiel in koud verfbad) & twijnders - buildragers - Carrosiers(bron?) - Drukkers(bron?) - goud- en zilversmeden - goudslagers - Gouden leermakers(bron?) - Handschoen-, Tas-, Witleer- en Riemmakers(bron?) - hoedenmakers - houtdraaiers & blokmakers (klompenmakers) - hoveniers, fruiteniers & mandenmakers - kleermakers - knopmakers - kordewagenaars - kousenmakers - kuipers - Leertouwers(bron?) - lijntrekkers - linnenwevers – molenaars - oudkleerkopers (tweedehandskledij) - peltiers (bontwerkers) - Plafonneerders(bron?) - pruikenmakers - roodververs (textiel in verhit verfbad) - sargiemakers - schilders & beeldhouwers [N 2] - schipmakers (scheepsbouwers) - schrijnwerkers - speldenmakers & passementwevers - strodekkers, leemplakkers (stukadoors) & witters (muurschilders) - tapijtwevers - uitsnijders(bron?) – vlasverkopers - volders - zeeldraaiers & gareel- en zadelmakers [2][3]
  • Beroepsverenigingen doch geen 'ambachten'
corpus van de apothekers - graanmetersnering - karrenbindersnering - confrérie van de koetsiers - mestrapersnering - turfdragersnering [2]

Nadat tegen de 19e eeuw de ambachten opgeheven waren, werden ze dikwijls beschouwd als conservative en navelstarende corporaties. Recente studies wijzen echter uit dat ze met ruime flexabiliteit de economische veranderingen opvingen.[2]

In de 19e eeuw werden de eerste vakscholen opgericht, en de meeste ambachtslui kregen werk in loondienst. Voor deze stiellieden namen vakbonden, die ondanks die benaming in ons land interdisciplinair georganiseerd werden, de plaats in van de oude ambachten – echter mits facultatieve aansluiting en op geografisch ruimere schaal.

Ambachtelijke stielen werden hedendaagse gewone beroepen zoals schrijnwerker, metser, bakker en slager of veeleer restauratiespecialisaties als tapijtwever, strodekker en timmerman. Andere gingen geleidelijk door geïndustrialiseerde productieprocessen vrijwel of compleet teniet, bijvoorbeeld hoedenmaker, smid, volder en speldenmaker, of werden daardoor of omwille van nieuwe behoeften tot deeltaken beperkt zodat snelle schoenlappers hooguit een hieltje vervangen, artistiekerige kappers niet langer als chirurgijn aanzien worden en een brouwer hetzij een industrieel hetzij een quasi klassieke meester is. Enige worden nog slechts beoefend voor folkloristisch vermaak en/of uit respect voor de stieltraditie: van zeeldraaier, mandenvlechter of klompenmaker tot molenaar.

Geschiedenis[bewerken]

Mutualiteit van de Smeden
In Mechelen richtten de smeden van de stad reeds in 1254 een mutualiteit op, erkend door de bisschop van Luik. Elke smid was lid van deze vereniging.

Broederschappen
Aan de basis van de ambachten lagen lekenbroederschappen met deels godsdienstig en deels economisch karakter. Ook de ambachten bleven instaan voor onder meer de jaarlijkse organisatie van bedevaarten, religieuze optochten of processies. Bijvoorbeeld met Sint Jacobus als patroonheilige kreeg het broederschap van de vissers, vooral gevestigd op de Vismarkt, statuten toegewezen van de deken van Sint-Rombouts.

Rederijkerskamers
Op 16 maart 1472 kochten enkele personen een huis ter behoeve "van den Gemeynen Geselschap oft Broederscape van der Dyetscher Rethorycken, geheeten 't Geselschap van der Pyoenen, geordineert ende opverstaen in de voors[eyden] stadt van Mechelen". Zulke in de 15e eeuw ontstane rederijkerskamers waren noch gilden noch ambachten. In 1492 werden de ‍'Statuten ende Ordonnantien der Cameren van Rethorycke binnen deze Nederlanden'‍ ingesteld door Philips de Schone.(bron?)

Galerij[bewerken]

Filmlinks[bewerken]

4e folkloristisch 'gildenjuweel' Mechelen, 2011 (I)
4e folkloristisch 'gildenjuweel' Mechelen, 2011 (II)


Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  1. 1,0 1,1 1,2 Foncke, Robert. De verering van Sint-Elooi in Vlaanderen en inzonderheid te Mechelen. Verslagen en mededelingen (nieuwe reeks), jg. 1968. Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, Gent (1968); Online: DBNL (2012). Nagezien 2016-04-12.
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 2,5 Dambruyne, Johan. Verzamelinventaris van de nog niet geherinventariseerde archieven van de Mechelse ambachten (tweede helft 13de eeuw-einde 18de eeuw). Studia et documenta mechliniensia, deel IX. Koninklijke kring voor oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen (2006) (online: Stadsarchief Mechelen). Nagezien 2016-04-12. Exceptie: Volgende ambachten zijn er niet in opgenomen: bakkers, brouwers, vleeshouwers, visverkopers en de verschillende ambachten van de lederverwerkende en weef- en veredelingsindustrie.
  3. 3,0 3,1 Van der Auwera, Jeroen. Mechelse textielsector, weef- en veredelingsindustrie (Pdf). Archiefbank Mechelen (1998). Nagezien 2016-04-13.
  4. l' Ancienne Industrie de Cuivre à Malines (Pdf). Bulletin, tome XX p. 106. Cercle archéologique, littéraire et artistique de Malines (1910). Nagezien 2016-04-12.

Voetnoten[bewerken]

  1. Dit lijken 10 naties. Mechelen Mapt putte die uit verscheidene bronnen maar vond de elfde niet. In Gent ook nog 'zwartwerkers', nagelmakers, zadelmakers, horlogemakers.
  2. Het Stadsarchief houdt de documentatie 'schilders en beeldhouwers' [toen 'beeldsnijders'] onder de historisch aanvechtbare benaming van Dambruyne: fonds 'Schilders, beeldhouwers- en verguldersambacht' (nr. 3). Midden de 16e eeuw omvatte dit ambacht schilders, tekenaars, beeldhouwers, kleinstekers [makers van kleine sculpturen], stoffeerders [geen bekleders met stoffen, wel polychromeurs] en tenslotte goud- en zilversmeden — bron: Alen, Klara. Envy and pride: Maria Faydherbe.... Magnus, Hannelore; Van der Stighelen, Katlijne (eds). Facts & Feelings – Retracing Emotions of Artists, 1600 – 1800 p 81. Brepols, Turnhout (2015); Online: Academia (2016).