Frans M. Olbrechts

Uit Mechelen Mapt, het vrije naslagwerk over Mechelen
Ga naar:navigatie, zoeken
English.gif Antropologist from Mechelen
F. Olbrechts, P.J. Vandenhoute and A. Maesen - Ivory Coast Expedition - 1938/1939.

Frans Olbrechts werd geboren te Mechelen op 16 februari 1899 en overleed op 24 maart 1958 in de röntgenkliniek te Aken. Hij was een Volkenkundige, die grote liefde bezat voor de verre volken en niet minder voor zijn eigen volk, in het bijzonder het Vlaamse volk, waarheen zijn gedachten steeds uitgingen wanneer hij in den vreemde was.

Reeds op jeugdige leeftijd verbleef hij geruime tijd in het buitenland. Nadat hij eerst op het Sint-Romboutscollege te Mechelen was geweest, kwam hij in 1914, tengevolge van de oorlog, in Engeland terecht en werd daar leerling van een Grammar School, te Darlington. Op 17-jarige leeftijd nam hij als vrijwilliger dienst in het leger en weldra zien we hem terug op het vasteland, in Frankrijk en Vlaanderen, waar hij gewond werd, en in 1919 in het bezettingsleger van Duitsland, waaruit hij einde van dat jaar werd gedemobiliseerd.

Het duurde nog enige jaren voor hij zijn studie aan de universiteit kon beginnen. In 1921 werd hij te Leuven ingeschreven als student in de Germaanse Letteren. Hij trad toe tot het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond en was, als spoorstudent, in 1923 voorzitter van de Mechelse Studentenbond. In 1925 behaalde hij te Leuven de Doctorstitel Summa Cum Laude op een proefschrift over een oud Mechels bezweringsformulier, dat door hem te Mechelen was ontdekt. Dit werk trok zozeer de aandacht, dat het bekroond en uitgegeven werd door de Koninklijke Vlaamse Akademie voor Taal- en Letterkunde. Het leverde hem tevens een beurs op, waardoor hij aan de Columbia University te New York zijn studie kon voortzetten.

Enige Vlaamse geleerden hadden Olbrechts de raad gegeven zich voor zijn verdere studie tot Franz Boas te wenden, die toen hoogleraar was aan Columbia University en tot 1924 hoofdredacteur, en daarna mede-redacteur, van het Journal of American Folklore. Zo kwam hij onder de leiding te werken van deze grootmeester der Amerikaanse Antropologie, die niet alleen deskundig was op het gebied van de Folklore, maar ook op dat van de Algemene Volkenkunde en de Volkenkunde van Amerika, van de Linguistiek, de Fysische Antropologie en wat niet al. Toen Olbrechts bij hem studeerde, was Boas b.v. juist intensief bezig met problemen van de kunst: in 1927 verscheen zijn bekende Primitive Art.

Een van de gevolgen van het verblijf van Olbrechts aan de Columbia University werd, dat een Amerikaan naar België overstak om de Vlaamse Beweging te bestuderen, terwijl hijzelf in deze jaren enige malen de gelegenheid kreeg om naar Amerika te gaan voor taalkundig en volkenkundig onderzoek onder de Cherokee en andere volken van de befaamde Irokese Indianengroep. Hij werd daarbij vergezeld en gesteund door zijn vrouw, Margriet Olbrechts-Maurissens, met wie hij in 1926 na zijn eerste verblijf in Amerika was getrouwd en die zowel zijn liefde voor het onderzoek van andere volken deelde als zijn liefde voor het Vlaamse volk.

Het roode land

Het onderzoek onder de Irokese Indianen leverde zeer veel materiaal op maar een deel hiervan is slechts gepubliceerd. Bekend werd vooral zijn uitgave in 1932 van het, indertijd door de Amerikaan Mooney ontdekte handschrift, in het Cherokee-alfabet van de 19e eeuw geschreven, dat belangrijke gegevens bevatte over de geneeskunde en bezweringspraktijken dezer Indianen. Mooney was gestorven voordat hij met de uitgave was klaar gekomen en Olbrechts bleek de aangewezen man om dit werk met verwerking van veel van zijn eigen materiaal tot een goed einde te brengen.

"I am very sorry that America has not been able to enlist your services permanently" schreef aan hem in 1932 de bekende J.R. Swanton en ook uit andere gegevens weten we, dat Olbrechts verscheidene malen een wetenschappelijke betrekking van blijvende aard in Amerika had kunnen krijgen. Hij voelde zich echter geroepen in België werkzaam te zijn en daar een rol te vervullen bij de opbouw en uitbouw van de wetenschap en bij de verheffing van de Vlaamse cultuur en het Vlaamse volk tot de hun toekomende plaats in de Belgische staat. Het is natuurlijk niet los van zijn studieverblijf bij Boas, dat hij in 1929 een boek publiceerde over de Kunst van Vroeg en van Verre, maar wel, dat hij er een meer populair boek van maakte als uitgave van het Davidsfonds en in het voorwoord de leiding van dit Fonds dankte, dat zij hem de gelegenheid schonk in bescheiden mate bij te dragen tot het opbouwen van de kultuur van ons Volk.

In 1930 werd hij attaché bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel en belast met de etnografische verzamelingen. Het was bepaald een achtergebleven gebied van deze musea van het Jubelpark en Olbrechts moest er veel pioniersarbeid, vaak van zeer elementaire aard, verrichten. Daarbij kwam hem zeer te stade, dat hij in Amerika ook onder leiding van P.E. Goddard gewerkt had, die hoofd was van de volkenkundige afdeling van het grote American Museum of Natural History en tevens aan Columbia University doceerde. Eveneens kon hij nu profiteren van de colleges, die hij toen bij de jeugdige Herskovits over Afrika had gevolgd, want een deel der verzamelingen betrof dit werelddeel, dat Olbrechts steeds meer ging fascineren. In 1933 trok hij er heen, o.a. om etnografica te verzamelen, naar West-Afrika, want Belgische Kongo was gereserveerd terrein voor het Kongo-museum in Tervuren. Over die reis publiceerde hij een reisverhaal Het Roode Land der Zwarte Kariatieden, dat eveneens als uitgave van het Davidsfonds verscheen.

Van grote betekenis werd voor Olbrechts zijn functie aan de Rijksuniversiteit te Gent. Hij werd in 1931 verbonden aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, waar hij kunst van de primitieve volken doceerde. In 1934 en 1935 ontving hij leeropdrachten voor volkenkunde in de Letterenfaculteit en aan het Kunsthistorisch Instituut, terwijl hij ook colleges gaf over Museologie en Volkskunst.

In 1935 nam hij ontslag uit zijn functie te Brussel, wat echter niet tot gevolg had, dat hij met het museumwerk ophield. Hij bracht de etnografische verzameling in Gent bij elkaar en op orde en op hem werd ook een beroep gedaan voor de reorganisatie van de omvangrijke volkenkundige verzameling in Antwerpen.

Zoals blijkt uit zijn medewerking aan het eerste initiatief, in 1932, voor de totstandkoming van een Volkskunde-Atlas benevens uit zijn aandacht voor de volkskunst, behoudt de volkskunde zijn belangstelling. Toch moet men zeggen, dat hij steeds meer Volkenkundige wordt. In 1936 verschijnt zijn Ethnologie - Inleiding tot de studie der Primitieve Beschaving, waarvan het voorwoord getuigt, dat dit het eerste werk in Vlaanderen is dat inleidt tot die fascinerende wetenschap. Binnen de Volkenkunde wordt de kunst meer en meer zijn centrale onderwerp van studie, terwijl Amerika steeds meer door Afrika wordt vervangen als voornaamste werkterrein. Het is daarom ook begrijpelijk, dat hij, in 1936-1937 in Amerika, als gasthoogleraar aan zijn vroegere Universiteit, colleges gaat geven over de volkenkunde en de kunst van Afrika.

Na zijn terugkeer organiseert hij met hulp van materiaal uit talrijke particuliere verzamelingen, en bijgestaan door enige van zijn bekwame Gentse leerlingen die door hem zijn bezield en gevormd, de grote tentoonstelling Kunst van Kongo in de stadsfeestzaal van Antwerpen.

De opzet van deze indrukwekkende tentoonstelling is te beschouwen als een uitvloeisel van zijn wijze van benadering van de kunst als professor te Gent. Uit deze tentoonstelling komt weer voort het voor deze fase van de studie van de kunst der schriftuurloze volken zo belangrijke boek Plastiek van Kongo, dat echter door omstandigheden pas in 1946 zal verschijnen. Een tweede resultaat van deze tentoonstelling wordt de Ivoorkust-Expeditie van 1938-1939 van zijn leerlingen Maesen en Vandenhoute, die volgens het door Olbrechts opgestelde plan de betrekking tussen Kunst en Cultuur onderzochten in dit zo gewichtige gebied der Afrikaanse kunst. Het in het Davidsfonds (ditmaal zelfs in de volksreeks) in 1940 verschenen boek Maskers en Dansers van de Ivoorkust heeft Olbrechts aan het door hemzelf geleide begin van deze expeditie gewijd. Het was de bedoeling dat het onderzoek aan de Ivoorkust tevens de voorbereiding zou worden van een uitgebreid onderzoek in de Kongo, zodra daartoe de gelegenheid zou zijn gekomen.

Achteraf gezien is deze periode een hoogtepunt in het leven van Olbrechts geweest. Hij was boordevol plannen voor de toekomst, ook betreffende een intensieve samenwerking met de collega's in Nederland, in het bijzonder te Leiden. Voor eenieder, die hem toen in zijn meeslepend enthousiasme en grote spontane charme heeft meegemaakt, zal het beeld uit die tijd de herinnering aan hem blijvend gaan beheersen.

Aan deze periode maakt de oorlog plotseling een einde. De Nieuwe Wereldoorlog, de tweede in zijn leven, greep hem sterk aan. Het bracht hem tot publicatie in de volksreeks van het Davidsfonds van zijn boek Vlaanderen zendt zijn zonen uit (1942), dat liet zien hoe grote Vlaamse figuren zich in den vreemde onder zware omstandigheden moedig hebben gedragen. Een van zijn leerlingen schreef over hem dat, in de donkere jaren van 1940-1945, zijn menslievendheid de mooiste vormen zal aannemen.

Voor Olbrechts zouden de zwaarste omstandigheden echter pas na de oorlog aanbreken, ofschoon het tegendeel eerst het geval scheen te zijn. Hij kreeg thans immers de mogelijkheid om zijn vele gaven ten volle te ontplooien. Tegen het einde van 1947 kwam zijn benoeming af tot directeur van het Kongo Museum te Tervuren, zowel wetenschappelijk als maatschappelijk een invloedrijke positie. In 1948 treedt hij op in de centrale en zware rol van algemeen secretaris van het grote internationale congres der antropologische en etnologische wetenschappen, dat te Brussel bijeenkwam. Hij maakte deel uit van zeer veel hoge wetenschappelijke colleges en invloedrijke commissies in binnen-en buitenland, zoals lid van de Koninklijke Vlaamse Akademie, voorzitter van de commissie voor de wetenschappen van de mens van het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek van Centraal Afrika (Iwoca resp. Irsac), lid van de Beheerraad van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, voorzitter van de Kommissie voor Afrikaanse Taalkunde, consultative director van het International African Institute, etc. Ook blijft hij nog een deel van zijn onderwijs te Gent voortzetten.

Maar weldra werd een teruggang in zijn gezondheid openbaar, die het hem steeds minder mogelijk zal maken zich aan zijn veelvuldige werkzaamheden te geven, zoals hij dat zo gaarne gedaan zou hebben. Het nieuwe perspectieven openende, eigen creatieve werk op het gebied van kunst en cultuur kwam nagenoeg tot stilstand. Toch heeft hij door een moedige inspanning tot het uiterste ook in die latere jaren nog veel op organisatorisch gebied tot stand kunnen brengen voor Wetenschap-en Museumwezen, in het bijzonder voor het herstel en de uitbouw van zijn Museum in Tervuren.

Afkomstig uit het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1959-1960, pag. 144-148.

Aantekening

Bibliografie in het geheel aan Olbrechts gewijde speciale nummer (III-1957 / IV-1958) van het tijdschrift Congo-Tervuren uitgegeven onder de auspiciën van De Vrienden van het Koninklijk Museum van Belgisch Congo.

Galerij